Foto van een onderzoeker

onderzoek

Pierre-Théodore Verhaegen - 1862-2012

Jimmy Koppen


De naam Verhaegen laat bij haast elke VUB-student een belletje rinkelen, maar doorgaans weet men niet wie de man waarlijk geweest is. Er is meestal de vage notie van een groot man, zonder wie de ULB, laat staan de VUB, niet bestaan zou hebben. Vaak is er ook wel het idee van een negentiende-eeuwse, strijdende vrijdenker in een Brussels moeras vol tsjeven en kaloten, en is er het idee van een belangrijk man met status en connecties. En er is de zeer prominente wetenschap dat de man, wie hij ook was, jaarlijks met heel veel bier op 20 november wordt herdacht. Maar daar houdt het dan vaak op, en dat is jammer.

Wie was Verhaegen? Hoeveel heeft hij werkelijk voor de ULB betekend, en wat hield dat concreet in? En hoeveel van de mythes en legendes die over hem de ronde doen zijn waar? Naar aanleiding van het 150 jaar overlijden van de man, nam het Vrijzinnig Studie-, Archief- en Documentatiecentrum Karel Cuypers contact op met Studiekring Vrij Onderzoek in een begeesterde poging het verhaal van Verhaegen weer onder de VUB-studenten te brengen. Het resultaat ervan is deze kleine bundel.

De VUB is nog meer dan andere universiteiten een onderzoeksinstelling met een verhaal. Een universiteit met een geschiedenis die ertoe doet. Een geschiedenis die rommelt in de onderbuiken van haar studenten en die mobiliseert. Een geschiedenis die haar bepaalt. Het spreekt voor zich dat de katholieke dreiging die in 1834 tot de oprichting van de ULB leidde, vandaag niet langer zo prominent aanwezig is als ze dat destijds was. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om het kennen van de bakermat van de VUB, om haar bezieler en om haar achtergrond die haar onderscheidt. Het is onze hoop dat deze bundel daartoe mag bijdragen.

Wouter Paardekooper, Studiekring Vrij Onderzoek


150 jaar na Pierre-Théodore Verhaegen


In 1862 stierf Pierre-Théodore Verhaegen. De bezieler van de ULB was 67 jaar. Voor Verhaegen was meer dan een omschrijving van toepassing: hij was liberaal en burgemeester, maar ook vrijmetselaar en antiklerikaal. Een man uit de politieke en maatschappelijke elite van het nog jonge België. Een politicus die alle overtredingen van de wet aan de kaak stelde, en bij gelegenheid ook de rechtmatige plaats van het Vlaams verdedigde.

Verhaegen was een goed organisator, een man met visie, een talentvol redenaar maar ook een echte Brusselaar. Hij stamde uit een familie van burgerlijke katholieken en zowel zijn voorouders als nazaten verdienden voor zichzelf een plaats in de vaderlandse geschiedenis.

De politicus Verhaegen leidde enige tijd als voorzitter de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Minister werd hij echter nooit. Vandaag wordt Verhaegen vooral herinnerd als de stichter van de Université Libre de Bruxelles, waar later de Vrije Universiteit Brussel uit zal ontstaan. Hoewel beide universiteiten volledig onafhankelijk van elkaar bestaan wordt Verhaegen jaarlijks op 20 november door de universitaire gemeenschap herdacht.

Maar wie was Piere-Théodore Verhaegen nu echt? Wat blijft er vandaag nog over van zijn gedachtengoed en realisaties? En wat is de betekenis van de figuur van ‘St-Vé’ voor de vrijzinnigheid, het liberalisme en de vrijmetselarij?


De Brusselaar


Toen Pierre-Théodore Verhaegen op maandag 5 september 1796 werd geboren waren de Zuidelijke Nederlanden – wat vandaag België is – net toegevoegd aan de Franse Republiek. De Revolutie had er korte metten gemaakt met de oude tradities en waarden, en de guillotine draaide er overuren. Bij het nieuwe tijdperk, waar komaf werd gemaakt met de privileges van Kerk en adel, hoorde ook een nieuwe tijdsrekening. En zo viel Verhaegens geboortedag op nonidi 19 fructidor IV.

Het jaar 1796 werd ook gekenmerkt door de dood van de Russische Catharina de Grote; in de Verenigde Staten versloeg John Adams zijn opponent Thomas Jefferson en werd zo Washingtons opvolger als president; statisticus Adolphe Quetelet werd geboren, Alois Senefelder vond de lithografie uit en het eerste vaccin tegen de pokken werd uitgetest.

Pierre-Théodore – soms gewoon ‘Théodore’ – werd genoemd naar zijn peetoom, die nog enige tijd rector van de Universiteit van Leuven was geweest. Diens opvolger werd in 1797 geconfronteerd met de definitieve sluiting van de in 1425 opgerichte Katholieke Universiteit door de Franse gezagsdragers.

Het geboortehuis bevond zich in de Hoedemakersstraat, vlakbij de Brusselse Grote Markt. De stad was in die jaren nog een sluimerend provincienest, met in de hoger gelegen gebieden het kort voordien aangelegde Warandepark en het Koningsplein. In de benedenstad kronkelde nog de Zenne, met aan haar oevers allerhande industrieën.

De familie Verhaegen behoorde tot de Brusselse burgerij, en in 1816 verhuisde zij, samen met een dienstbode, naar de Nieuwstraat. De familienaam zou volgens sommige bronnen afgeleid zijn van Terhagen, een gehucht in de buurt van Boom en Rumst in Klein-Brabant.

Vader en moeder vormden de kern van een zeer katholiek gezin, waar Frans en Vlaams werden gesproken. De jongere broers van Pierre-Théodore, François-Joseph en Jacques-François, werden respectievelijk in 1800 en 1802 geboren. De oudste zoon werd waarschijnlijk gedeeltelijk thuis onderwezen; vader Pierre had kennelijk geen al te hoge pet op van het ‘heidense’ onderwijs zoals dat door Napoleon was vormgegeven. Toch zou de zoon in 1815 afstuderen aan de napoleontische Ecole de Droit. Voluit heette zijn diploma toen nog ‘doctor in de rechten’. Naar hedendaagse normen lag de lat toen helemaal niet zo hoog. Veel stelde zijn eindwerk dan ook niet voor: enkele beschouwingen over het Romeins recht en over huwelijkscontracten in het burgerlijk recht volstonden. De weg naar de advocatuur lag open en in 1819 werd hij ingeschreven op de rol van de Orde.


Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden


Op het moment waarop de jonge advocaat Pierre-Théodore zijn loopbaan begon waren de zuidelijke provincies opnieuw onder een nieuw regime komen te staan. Bij Waterloo was Napoleons imperialistische droom definitief aan diggelen geslagen en zijn overwinnaars beslisten op het Congres van Wenen om de Zuidelijke Nederlanden onder te brengen onder het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Eens de Fransen vertrokken waren installeerde prins Willem van Oranje, een nazaat van de illustere Willem de Zwijger die in de 16e eeuw de Spaanse vorst Filips II het knap lastig maakte, zich in Den Haag.

Willem riep zich uit tot koning der Nederlanden, en zag zich meteen geconfronteerd met de culturele en economische ongelijkheden tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte van zijn nieuw rijk. De ‘achterlijkheid’ van de zuidelijke provincies werd verder geïllustreerd door het gebrek aan instellingen van hoger onderwijs. De enige, echte universiteit van het gebied was, zoals gezegd, afgevoerd. Iets anders was er niet in de plaats gekomen. Daarom ging Willem I al in de jaren 1816-’17 over tot de vorming van maar liefst zes rijksuniversiteiten. In het noordelijk landsgedeelte werden de oude instellingen van Leiden, Utrecht en Groningen in die richting hervormd; in het zuiden werden vanuit het niets de Rijksuniversiteiten Gent, Luik en Leuven in het leven geroepen. Willem’s inspanningen om noord en zuid te verenigen, gescheiden sinds 1585, verliepen alles behalve van een leien dakje.

De culturele verschillen tussen de beide landsdelen leken haast onoverbrugbaar. In een poging om de elite van de beide landsdelen samen te voegen leek de koning zijn heil te zoeken in de vrijmetselarij.

De loges in zowel noord als zuid kenden een gemeenschappelijke geschiedenis en spraken ook hetzelfde, elitaire publiek aan. Zelf vond Willem er maar niets aan om zich in de vrijmetselarij te engageren, zoals zijn koninklijke collega’s in Engeland en Scandinavië dat wel deden. Dus spoorde Willem zijn tweede zoon, prins Frederik aan, om deze rol op zich te nemen. Frederik van Oranje-Nassau – Fritz voor de vrienden – werd op vaderlijke aandrang in 1816 in de vrijmetselarij ingewijd.

De prins was amper 19 jaar, passeerde in een sneltempo de belangrijkste graden om aansluitend nationaal voorzitter of Grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden te worden.

Vrijmetselarij

Soms wordt beweerd dat de vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de middeleeuwse kathedraalbouwers, of de tempeliers en de rozenkruisers. Geen van dit alles is (helemaal) waar. Toen in 1717 vier clubs of ‘loges’ samenkwamen in Londen werden de krijtlijnen van wat sindsdien vrijmetselarij heet uitgetekend. Het ‘geheim’ of ‘besloten’ genootschap was in de tijd van Verhaegen enkel toegankelijk voor mannen, die volgens een bepaalde procedure werden ingewijd. Na de inwijding kon de ‘profaan’ zich leerling-vrijmetselaar noemen. Na enige tijd – en in de 19e eeuw gebeurde dit vaak vrij snel – kreeg deze de graad van gezel om uiteindelijk meester-vrijmetselaar te worden. Daarna bestond de mogelijkheid door te klimmen naar de ‘hogere graden’, waarvan de dragers echter niet als de hiërarchische meerdere van de lagere graden moesten worden bekeken. Beschouw het als iemand die vandaag een masterdiploma zou hebben en aansluitend, en vrijblijvend, een bijkomende opleiding en getuigschrift haalt. Eens lid van een loge of werkplaats woonde de vrijmetselaar op geregelde tijdstippen zittingen bij. Terwijl deze bijeenkomsten oorspronkelijk nog in de achterzalen van herbergen of in andere, semi-publieke ruimten werden gehouden, zouden de loges in de loop van de 19e eeuw aparte en speciaal ingerichte lokalen laten bouwen of aankopen. In een rechthoekige ruimte, afgesloten van de buitenwereld, en met de bankenrijen tegenover elkaar geplaatst, werden de samenkomsten van vrijmetselaars volgens welomschreven rituelen, en vol met symboliek, gehouden. Het doel van de bijeenkomsten was om de leden tot nieuwe emotionele, spirituele en intellectuele inzichten te laten komen, wars van religieuze of politieke overtuigingen. In de grondteksten van de vrijmetselarij werd ook expliciet gesteld dat er tijdens de zittingen nooit over deze twee thema’s mocht worden gepraat. Dit zou immers eerder tot conflicten en discussies leiden, dan tot vernieuwde persoonlijke inzichten. Dat betekende niet meteen dat de 19e-eeuwse vrijmetselarij zich a-religieus opstelde. Integendeel: het van origine protestants genootschap verwees naar de bijbel als het Boek der Heilige Wet en naar God als de Opperbouwmeester van het Heelal – waarbij iedere vrijmetselaar echter wel de vrijheid had daar een eigen invulling aan te geven.
Logezittingen waren enkel toegankelijk voor vrijmetselaars, die bovenop hun gewone kledij een schortje – een ‘schootsvel’ – of een borstlint, telkens vol symbolen zoals passers, winkelhaken, schietloden, sterren en zonnen droegen. In de tijd van Verhaegen werden tijdens de zittingen gelegenheidsvoordrachten – ‘conférences’, ‘morceaux d’architecture’ of ‘bouwstukken’- door de ingewijden gegeven over een reeks van maatschappelijke, wetenschappelijke en culturele thema’s. De loges waren sowieso samengesteld uit leden van de elite: de burgerij, magistraten, militairen, edellieden en hier en daar een verdwaalde priester.


Advocaat en vrijmetselaar


Op dat ogenblik stond Verhaegen, die een jaar ouder was, nog ver van passers en winkelhaken verwijderd. In 1819 trouwde hij met Jeanne Barbanson, die een zeer goede partij was. Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren: drie van hen – Marie-Thérèse (°1821), Marie-Anne (°1824) en Eugène (°1831) – haalden de volwassenheid. Intussen was Verhaegen burgemeester geworden van Watermaal-Bosvoorde. Gedurende zes maanden per jaar woonde de burgemeester in de arme en dunbevolkte gemeente. De rest van de tijd verbleef de familie in het grote herenhuis in de Miniemenstraat 19, vlak aan de Grote Zavel, dat in 1826 werd aangekocht.

Verhaegen baseerde zijn reputatie, en aansluitend zijn vermogen, vooral op zijn werk als advocaat. In 1821 beleefde hij zijn doorbraak omdat hij succesvol de Gentse vicarissen-generaal had verdedigd, die op basis van vermeende ongehoorzaamheid aan het adres van hun bisschop, voor de rechtbank werden gedaagd. Verhaegen specialiseerde zich vervolgens onder meer in erfenisbetwistingen en echtscheidingen. Ook voor faillissementen, onteigeningen en voogdijrecht kon deze advocaat worden ingeschakeld. Niet zelden ging het om juridische procedures die wel een tijdje konden aanslepen.

En zo werd Verhaegen een bekend figuur die vanuit zijn burgerlijke achtergrond en zijn connecties al snel de hoogste regionen van de samenleving bereikte. Op politiek vlak was hij een orangist, die alle heil zag in het politieke en maatschappelijk project van koning Willem. Hij geraakte met de kroonprins bevriend, die zijn intrek had genomen in het paleis aan de Hertogstraat, waar vandaag de Koninklijke Academiën gevestigd zijn.

De latere Willem II was als vrijmetselaar ingewijd in L’Espérance, de belangrijkste loge van Brussel van het moment. Het was de kroonprins die Verhaegen introduceerde tot de vrijmetselarij en liet inwijden in zijn werkplaats. Over de vrijmetselaar Verhaegen viel er in die jaren maar weinig te zeggen: al in 1823 liet hij weten niet langer meer naar de zittingen te kunnen komen, waarschijnlijk omwille van zijn drukke professionele bezigheden.


Verhaegen en de Belgische onafhankelijkheid


Koning Willem begon in de tussentijd de katholieken en de liberalen uit het zuidelijk landsgedeelte tegen zich in het harnas te jagen. De katholieken moesten niets weten van de inmengingen van de protestantse vorst in kerkelijke aangelegenheden, terwijl de liberalen, erfgenamen van de Verlichting en de Franse Revolutie, maar weinig heil zagen in Willems despotisch handelen. Wanneer in juli 1830 de Franse koning opnieuw van zijn troon werd gewipt was Willems vrees voor een precedent niet geheel denkbeeldig. In een gespannen sfeer werd op 25 augustus 1830 een galavoorstelling in de Brusselse Muntschouwburg gehouden. Met La Muette de Portici, één van de populairste opera’s van het moment, werd de 58e verjaardag van de koning gevierd. Het werd een verjaardag om nooit meer te vergeten. Aansluitend op de voorstelling, waar de liberaal gezinde operagangers door de patriotistische boodschap van ‘de stomme’ werden aangesproken, braken er in Brussel opstanden uit tegen het Nederlands gezag.

De revolte sloeg over naar andere steden en de Nederlandse ordehandhavers besloten zich wijselijk terug te trekken in de hoop dat alles spoedig weer zou afkoelen. Op dat ogenblik was er eigenlijk geen sprake van een onafhankelijkheidsverklaring van de zuidelijke provincies. Wel werd er de omvorming van het koninkrijk in een confederatie geëist. Toen al was confederalisme het toverwoord dat alle politieke problemen zou oplossen. Willem liet wachten op zijn antwoord. Te lang. Na enkele weken werd de roep om volledige onafhankelijkheid steeds duidelijker. Uiteindelijk stuurde de koning vanuit Vilvoorde een troepenmacht naar Brussel om de opstandelingen terug in het gareel te dwingen. Op het Koningsplein hadden de ‘Belgen’ hun kanonnen geplaatst die het Nederlands garnizoen, dat zich nu al in het nabij gelegen Warandepark bevond, tot moes schoot. Enkele duizenden doden later was Willems unitair koninkrijk definitief voorbij en werd begin oktober 1830 de Belgische onafhankelijkheid uitgeroepen, die vrij snel internationaal werd erkend.

In Watermaal-Bosvoorde had burgemeester Verhaegen zich ver van het krijgsgewoel gehouden. Van de nieuwe Belgische staat had hij geen al te hoge dunk. Net zoals Verhaegen hadden de Belgische vrijmetselaars totaal niets met de Belgische Revolutie te maken. Het zou eventjes duren alvorens Verhaegen realiseerde dat de in de nieuwe Belgische Grondwet opgenomen vrijheden – zoals deze van godsdienst, pers en onderwijs – het best bij zijn eigen overtuigingen aansloten.

Onder de koepel van het Grootoosten der Nederlanden bevonden zich twee, grotendeels autonome Grootloges, met prins Frederik als nationaal voorzitter. Maar Frederik was ook militair bevelhebber, en in die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor de inval in

Brussel. De Grootmeester, de hoeder van de maçonnieke principes van broederlijkheid, verdraagzaamheid en vrijheid, had nu een daad van oorlog en agressie gesteld. In Brussel verkondigde al in oktober 1830 de werkplaats van Les Vrais Amis de l’Union de prins vervallen van zijn grootmeesterschap. Andere loges volgden, terwijl anderen door het uiteenvallen van het koninkrijk hun eigen bestaansrecht zagen vervallen. Nog andere werkplaatsen ten slotte, zoals deze in Gent en Luik, bleven zich orangistisch noemen. Zo zou het Gentse Le Septentrion nog vijftig jaar onder het gezag van het Grootoosten in Den Haag blijven. De helft van de 26 werkplaatsen in de zuidelijke provincies vormden in 1832-’33, na enige moeite, een eigen federatie van loges: het Grootoosten van België.


Het Grootoosten van België


Het Grootoosten of GOB was in eerste instantie een deïstisch instituut. Er werd, conform de maçonnieke reglementen, verwezen naar de Opperbouwmeester van het Heelal, en discussies over politiek of religie binnen de tempelmuren waren uit den boze. Ter gelegenheid van de stichting werd zelfs een penning geslagen met het opschrift ‘Ad Majorem Dei Gloriam’.

Het oorspronkelijke idee bestond eruit om de kersverse koning der Belgen, Leopold I, te verzoeken als Grootmeester van het GOB op te treden. Leopold was een kleine twintig jaar eerder als vrijmetselaar ingewijd in een loge in het Zwitserse Bern. Of hij daadwerkelijk zelf op zijn eigen inwijding aanwezig was vormt onder historici voer voor discussie. Vast stond wel dat Leopold zich niet echt geroepen voelde om daadwerkelijk als Grootmeester op te treden. Hij aanvaardde om zijn naam als ‘koninklijk beschermer’ te gebruiken, maar liet in 1835 de eer van het effectief grootmeesterschap over aan zijn vertrouweling Goswin de Stassart, voorzitter van de Senaat en provinciegouverneur. In die tijd stonden op cumuls nog geen grenzen. De Stassart was een conservatief liberaal en gelovig man, die in de vrijmetselarij vooral een filosofisch en introvert genootschap zag.

Ook bij de stichting van het Grootoosten van België hield Verhaegen zich volledig afzijdig. Pas in 1832 zou hij de logezittingen opnieuw frequenteren, maar niet langer meer in het orangistische L’Espérance, dat na de Revolutie op sterven na dood was. Voortaan was Les Amis Philanthropes, in 1798 onder Frans regime opgericht als een specifieke loge voor militairen, Verhaegens maçonnieke thuisbasis. Al een jaar later werd hij er Achtbare Meester of voorzitter.

Politiek in België

Anno 1830 bestonden politieke partijen nog niet zoals we ze vandaag kennen. Er waren geen welomschreven ideologieën, geen partijlidkaarten, geen echte partijleiders en geen evenementen zoals jaarvergaderingen, congressen of gezinsactiviteiten. Wel waren er twee grote ideologische ‘families’: de katholieken en de liberalen. Of een politicus al dan niet katholiek of liberaal werd genoemd hing vaak af van de plaats die hij op een kieslijst innam. Zo kon iemand bij de ene verkiezing als katholiek gelabeld staan, en bij de volgende ronde op de liberale lijst figureren. Van echte partijen was in die jaren geen sprake: het waren eerder verzamelingen van individuen en verenigingen die politiek actief waren, daarbij geruggesteund door de katholieke of liberale media. De katholieken hadden echter een voordeel op de liberalen: de bijbel en de katholieke traditie konden als leidraad dienen, en in geval van twijfel waren er nog de kerkelijke instituten en hoogwaardigheidsbekleders. De liberalen refereerden graag naar de vrijheidsprincipes zoals die in de voorafgaande decennia tot uiting waren gekomen, maar van een echt liberaal ‘handboek’ of een liberale ‘denktank’ was geen sprake. Belangrijke kanttekening: noch de katholieken, noch de liberalen vormden een homogeen blok.

Het was in de vrijmetselarij dat Verhaegen een methode zag om een denktank voor het liberalisme te vormen. De geesten begonnen te rijpen: de Grondwet van 1831, met haar vele liberale vrijheden, bleek in praktijk vooral de katholieken ten goede te komen. Door de cultusvrijheid kon bijvoorbeeld niemand gedwongen worden om al dan niet een bepaald geloof te volgen, terwijl tegelijkertijd de Staat het recht werd ontnomen zich in te mengen in kerkelijke aangelegenheden. Toch werd de scheiding van Kerk en Staat niet ten volle doorgevoerd. Tot de dag van vandaag krijgen priesters een loon en pensioen van de (burgerlijke) overheid en hebben de gemeenten, via de kerkfabrieken, de opdracht om kerken en parochiezalen te onderhouden. Het gevolg van deze grondwettelijke vrijheden was dat de Katholieke Kerk zich ten volle kon ontplooien. In combinatie met de verenigingsvrijheid rezen overal te lande kloosters als paddenstoelen uit de grond.


De ULB


Ten gevolge van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs gingen de bisschoppen in 1834 over tot de stichting van een eigen vrije universiteit. ‘Vrij’ omdat zij, in tegenstelling tot de rijksuniversiteiten, niet door de overheid in het leven was geroepen. Dit werd de Katholieke Universiteit van Mechelen. Verhaegen sloeg meteen alarm. Minder dan twee weken na de goedkeuring van haar statuten door de bisschoppen hield Les Amis Philanthropes een banket ter gelegenheid van zomerzonnewende. Het was 24 juni 1834, en Verhaegen nam als voorzitter het woord tussen de verschillende gangen van het menu door.

De speech was een emotionele oproep: Verhaegen schetste het doembeeld van een België dat gedomineerd zou worden door de katholieken, aangezien het niet geheel denkbeeldig was dat de drie rijksuniversiteiten spoedig zouden verdwijnen. Gent, Luik en Leuven waren immers opgericht door Willem I en als orangistisch betiteld. Hun toekomst hing vooral om die reden aan een zijden draadje. De Rijksuniversiteit Leuven zou effectief in 1835 definitief haar deuren sluiten. Uiteindelijk overleefden Gent en Luik tot de dag van vandaag, maar dat kon Verhaegen in 1834 nog niet weten. Indien de rijksuniversiteiten zouden ophouden te bestaan betekende dit dat de Katholieke Universiteit alleen zou overblijven, met ‘katholieke indoctrinatie’ tot gevolg.

‘Laten wij voortgaan op de weg die onze respectabele meesters ons aangewezen hebben,’ zei Verhaegen. ‘Als we over het Licht van de eeuw spreken, laten we dan alles doen om het uit te dragen maar ook om het te beschermen, want onze vijanden staan klaar om het uit te doven. Wij moeten opkomen tegen het fanatisme, wij moeten het frontaal aanvallen en met de wortel uitroeien. Tegen de scholen die zij wensen op te richten moeten wij een puur en moreel verantwoord onderwijs stellen waarover wij de leiding zullen behouden. Moge een vrije universiteit het tegenwicht vormen voor de zogenaamde katholieke universiteit. Om dit hoogstaand doel te bereiken stel ik u voor het maçonnieke pact dat alle loges in België moet verenigen te vernieuwen en te versterken. Moge de stichting van deze vrije universiteit aan onze opvolgers bewijzen dat de vrijmetselarij voor ons geen term zonder inhoud is geweest en dat de vrijmetselarij te allen tijde in staat is strijd te leveren tegen de veelkoppige draak van het fanatisme dat zich in allerlei gedaantes voordoet.’

Verhaegens talent als redenaar kwam in deze toespraak ten volle tot uiting. De aanwezigen werden als het ware opgezweept en doordrongen van het belang van de oprichting van een eigen, vrije universiteit. De collectebus ging rond, aanwezige vrijmetselaars boden aan om in de nieuwe instelling cursus te geven en de burgemeester van Brussel, Nicolas Rouppe, eveneens lid van Les Amis Philanthropes, zorgde voor lokalen.

Er werd meteen vaart achter gezet. Op 20 november 1834 opende de Université Libre de Belgique – het werd pas later ‘de Bruxelles’ – haar deuren op het Museumplein. Vandaag is dit de achterzijde van de Koninklijke Bibliotheek aan de voet van het standbeeld van Karel van Lorreinen, vlak aan ‘Old England’ op de Kunstberg.

Ere wie ere toekomt: Verhaegen was niet de man die het idee van de eigen universiteit had uitgedacht. Dat had Auguste Baron hem voorgedaan. Baron, die onder meer verbonden was aan het atheneum van Brussel, had al in 1831 een vrij gedetailleerd plan op papier gezet wat de stichting van een mogelijke universiteit betrof. Tot een effectieve realisatie kwam het nooit, tot het moment waarop Baron contact had met Verhaegen, die hem in mei 1834 liet inwijden in Les Amis Philanthropes. Vanaf dan ging het bliksemsnel. Baron had het idee en de visie, Verhaegen de connecties. Deze laatste gaf ook de definitieve wending aan de concrete invulling van de nieuwe universiteit. Het belang van de Mechelse concurrentie en de vrijmetselaarsachtergrond maakte van de universiteit, zoals ze in 1834 werd opgericht, een heel andere instelling dan in 1831 oorspronkelijk het idee was.


Vrij Onderzoek


Het principe van het Vrij Onderzoek vormde van meet af aan de kerngedachte van de ULB, hoewel de officiële aanvaarding van dit principe pas in 1909 gebeurde. Het was in dat jaar, ter gelegenheid van de 75e verjaardag van de ULB, dat de Franse wiskundige Poincaré zijn beroemde boutade formuleerde. Lang vóór er van ‘Het denken mag zich nooit onderwerpen...’ sprake was formuleerde Baron tijdens de openingsplechtigheid van 1834 als volgt: ‘Wij zweren om onze studenten te inspireren tot liefde voor de medemens, wat voortaan het doel van ons onderwijs zal zijn, zonder daarbij onderscheid te maken in achtergrond, mening en naties; wij zweren om hun gedachten, hun arbeid en hun talenten te wijden aan het geluk en de verbetering van de medemens en de mensheid.

De ULB was gelanceerd, maar kende zeker geen zorgeloze geschiedenis. Verhaegen, door de Stassart aangeduid als zijn afgevaardigde, trok van loge tot loge om financiële steun te vragen om zijn project in stand te houden. Veel problemen had Verhaegen hier niet mee: de bisschoppen deden net hetzelfde ter ondersteuning van hun Katholieke Universiteit – die trouwens in 1835 haar spullen had gepakt en Mechelen voor Leuven had ingeruild. Zelf zou Verhaegen de in chronische geldnood verkerende ULB nooit leiden. Hij gaf er wel les aan de rechtenfaculteit.

De functie van rector werd pas begin jaren 1840 gecreëerd. Eerste rector Van Meenen betitelde bij zijn aanstelling de ULB nog als een instantie waar ‘het ware christendom’ werd beoefend; in het door machtshonger en dogma’s gedomineerde Leuven was er immers geen plaats voor ‘het vrije denken’ ten behoeve van de hele samenleving. Een echt grote universiteit is de ULB tijdens het leven van Verhaegen nooit geworden. Bij de start telde zij hoop en al 100 personen, studenten en personeel inbegrepen. Op juridisch vlak bestond zij niet eens: pas in 1911 kreeg zij rechtspersoonlijkheid.

Maar ook die andere ‘vrije’ universiteit, de Katholieke Universiteit Leuven, was geen rechtspersoon. Pogingen van de bisschoppen begin jaren 1840, om samen met een paar katholieke parlementairen, ‘Leuven’ tot rechtspersoon te laten verklaren stootten op hevige weerstand van de liberalen. Deze zagen in de kwestie vooral een slinks initiatief van de katholieken om op wettige wijze het patrimonium van een katholieke instantie als de Leuvense universiteit uit te breiden.


Kerk versus vrijmetselarij


Na 1834 waren de bisschoppen gewaarschuwd dat de vrijmetselarij, onder impuls van Verhaegen, niet langer meer als een gezelligheidsvereniging – met hier en daar wat eigenaardige rituelen – kon worden afgedaan. In 1837 was het opnieuw prijs: in oktober werd er door het GOB een nieuwe loge in Gent opgericht, om de orangisten van Le Septentrion de pas af te snijden. Het is niet zeker of de Stassart in eigen persoon aanwezig was tijdens de installatie. Vast stond wel dat de Grootmeester zijn expliciete goedkeurig hiervoor gaf. En daar reageerden de bisschoppen op: het was in hun ogen ontoelaatbaar dat de senaatsvoorzitter zich in een zo uitgesproken ideologisch vaarwater begaf.

Tijdens de eerste zondag van 1838 werd er vanaf alle kansels in alle kerken in alle parochies van het land een herderlijke brief van de bisschoppen voorgelezen. De boodschap van de brief was eenduidig en ondubbelzinnig: praktiserende katholieken die vrijmetselaar waren dienden stante pede hun loges te verlaten of werden in de kerkban geslagen.

Liberale politici, maar ook enkele van hun katholieke collega’s, reageerden verbolgen: de bisschoppen hadden zich niet te bemoeien met privé-aangelegenheden zoals lidmaatschappen van verenigingen. Louter grondwettelijk was dat niet toegestaan. In de loges werd moord en brand geschreeuwd. Sluimerende antiklerikale sentimenten kwamen nu volledig aan de oppervlakte. Tegenstanders van een meer uitgesproken maatschappelijke profilering van de vrijmetselarij werden nu aan de kant geschoven.

De verwachting van de bisschoppen, als zou de brief leiden tot een gevoelige terugval van de ledenaantallen, bleek totaal onrealistisch te zijn. Integendeel: in de jaren erop volgend kwamen er zelfs nog meer vrijmetselaars bij, die niet zelden uit weerzin voor de katholieke bemoeienissen aan de tempelpoorten aanklopten. De Katholieke Kerk van haar kant toonde zich niet meteen van haar subtielste kant. Priesters verschenen aan het sterfbed van vrijmetselaars om hen, in extremis, alsnog tot het katholicisme te laten ‘bekeren’. Hierna kregen zij een kerkelijke begrafenis waarbij al eens een schootsvel in brand werd gestoken.

Intussen had de Stassart ontslag genomen als provinciegouverneur en in 1841 ook als Grootmeester – nota bene op aandringen van de bisschop nadat hij bij hem te biechten was gegaan. De weg lag nu open voor Verhaegen, onder wiens bezieling de loges de ingeslagen weg van het antiklerikalisme bewandelden. Antiklerikalisme betekende in die tijd zeker niet antireligiositeit. Nog in 1838 liet het GOB een munt verspreiden met daarop de boodschap ‘De Vrijmetselarij zal leven – God wil het’. Verhaegen zelf was, net zoals zowat al zijn tijdgenoten, een gelovig man. Hij aanvaardde echter niet dat de Kerk rechtstreeks in politieke aangelegenheden of in het privé-leven ingreep. De geruchten deden de ronde dat Verhaegen zich vooral in de kerk liet zien omdat zijn vrouw daarop stond, en dat, eens weduwnaar, het met zijn religieuze praktijk heel wat minder werd.


Liberalisme en antiklerikalisme


De liberale politicus Verhaegen bouwde vanuit de loges zijn uitvalsbasis verder uit. Er waren ideeën om de leiding van het Grootoosten om te vormen tot een soort van partijbestuur. In praktijk zou dit betekenen dat de loges en het GOB kandidaten rekruteerden om ze vervolgens op de kieslijsten te plaatsen. Dit hield een reeks van nadelen in. Werden de loges echte politieke denkclubs, dan zouden de typische maçonnieke principes van broederschap en sereniteit verloren gaan. Hoe konden ook politieke talenten worden bereikt die geen logelid waren?

Een tussenoplossing moest dus worden gezocht. Deze was simpel doch effectief: richt vanuit de loges paramaçonnieke verenigingen op waar vrijmetselaars en niet-vrijmetselaars ten volle over politiek en liberalisme konden debatteren zonder dat daar maçonnieke rituelen aan te pas kwamen. En zo ontstond in 1841, onder impuls van Verhaegen, de Brusselse kiesvereniging L’Alliance. Ook in andere steden werden gelijkaardige liberale kiesverenigingen opgericht.

Het was opnieuw Verhaegen die in 1846 mee het initiatief nam om al deze kiesverenigingen in congres samen te brengen. In het parlement was Verhaegen in die jaren eigenlijk de liberale oppositieleider. De gothische zaal van het Brussels stadhuis werd afgehuurd, en op 14 juni 1846 kwamen een kleine 400 liberalen uit heel België er samen om de Liberale Partij op te richten. Zelf zat Verhaegen het Eerste Liberaal Congres niet voor: deze opdracht was weggelegd voor de jurist en ULB-medestichter Eugène Defacqz, die in 1841 de Stassart als Grootmeester was opgevolgd. Het congres riep op tot electorale hervormingen, tot hervorming van het openbaar onderwijs, tot een beter leven voor arbeiders en hulpbehoevenden en tot het zoveel mogelijk buiten spel zetten van de Kerk in burgerlijke aangelegenheden.

Liberalen

Na 1846 duurde het een kleine 50 jaar wachten alvorens weer een nieuw, echt congres door de liberalen werd samengeroepen. Deze eerste bijeenkomst kon niet echt begrepen worden als de lancering van een politieke partij naar eigentijdse definitie. Bovendien konden de liberalen in twee grote stromingen worden ondergebracht. De eerder traditionele en burgerlijke liberalen werden de doctrinairen genoemd. In een democratie was het aan de financiële en intellectuele elite die het volk diende te vertegenwoordigen. Doctrinaire liberalen waren de erfgenamen van de Franse Verlichting, maar konden niet automatisch als antireligieus worden beschouwd. Antiklerikaal, dat wel. De bekendste doctrinair was, naast Verhaegen zelf, Walthère Frère-Orban, die een aantal jaren een liberale regering zou leiden. Na Frère-Orban zouden er slechts twee andere liberale regeringsleiders op het voorplan treden: Paul-Emile Janson in de jaren 1930 en recent Guy Verhofstadt. De tweede stroming binnen het 19e-eeuws liberalisme werd gevormd door de radicalen of progressisten. Ze streefden naar een uitbreiding van het stemrecht, waren nog minder dan de doctrinairen geneigd om compromissen met het katholicisme af te sluiten en hadden een bredere visie op maatschappij en burgerschap. Vooral naar het einde van de 19e eeuw toe zouden de progressisten op hun sterkst zijn. Kopman was Paul Janson, vader van de genoemde Paul-Emile en grootvader van Paul-Henri Spaak. Tussen doctrinairen en progressisten waren nogal wat grijze zones: historici hebben het daarom niet altijd eenvoudig om een liberaal politicus of opiniemaker in het een of het andere vakje te plaatsen.


De Opperbouwmeester


Terwijl de meningsverschillen in het parlement en in de kranten tussen liberalen en katholieken alsmaar toenam, ondernam Verhaegen binnen de vrijmetselarij een volgende stap in het maatschappelijk bewustzijn van het genootschap. Onder impuls van de net verkozen Grootmeester Verhaegen werd artikel 135 uit de statuten van het GOB geschrapt. Dit artikel verbood voordrachten van politieke of religieuze aard tijdens de logezittingen. Maar in werkelijkheid werd deze verbodsbepaling al jaren omzeild.

De schrapping van het fameuze artikel hield bijgevolg een bevestiging van de praktijk in. Vrijmetselaarsorganisaties in de omliggende landen lieten hun protest horen en trokken de internationale erkenning van het GOB in. Veel zoden bracht dit niet aan de dijk: in maçonniek België betwistte niemand echt de positie van het GOB. Meer nog, de Luikse loges – die zich eerder hadden verwijderd – sloten zich in 1854 opnieuw bij de koepel aan. Het GOB, geleid door Verhaegen, kwam aldus in de positie van de irregulariteit terecht – een positie, waarin zij zich vandaag nog steeds bevindt. Dit werd verder bevestigd in 1872, toen verwijzingen naar de Opperbouwmeester van het Heelal en de bijbel facultatief werden. Maar toen was Verhaegen al lang naar het Eeuwige Oosten vertrokken.


Verhaegen in het parlement


Op politiek vlak waren Verhaegens manoeuvres niet zonder gevolg gebleven. De eerstvolgende parlementsverkiezingen na 1846 hadden succes opgeleverd voor de liberale lijst, die het alleenrecht kreeg om een regering te vormen. In die jaren wisselden homogene regeringen van liberalen of katholieken elkaar af. Na een paar jaar probeerde de oppositie via de heropleving van het ‘unionisme’ de doctrinaire liberalen aan de kant te schuiven. Het systeem van het unionisme, waar tegenstellingen tussen liberalen en katholieken met de mantel der liefde werden bedekt – en waarbij vooral het nationaal belang in onzekere tijden primeerde – was echter al lang door de politieke realiteit achterhaald.

In 1855 deed voormalig journalist Pieter De Decker een laatste poging om het politiek dode unionisme te doen herleven, maar in werkelijkheid werd zijn regering gedomineerd door katholieken. De Decker probeerde een wet door het parlement te sluizen: individuen kregen het recht om zelf te bepalen wie of wat de begunstigde zou worden van een liefdadige schenking. Tot dan toe vertelde de wet iets helemaal anders. Wou je aan liefdadigheid doen, dan hoorde dat via de officiële kanalen van de 19e-eeuwse voorlopers van het OCMW te verlopen. Door dat af te zwakken zou het individu nu ook zijn milde bijdrage kunnen schenken aan bijvoorbeeld een klooster. Dat kon op haar beurt de schenking aanwenden om goede werken te verrichten.

Verhaegen, Frère-Orban en de liberale fractie in het parlement geraakten er niet over uitgepraat. De nieuwe wet, die zij tot ‘de Kloosterwet’ hadden omgedoopt, zou in praktijk enkel maar uitdraaien in de verrijking van de kloosters. De paters en de nonnen zouden dat geld, dat zij van particulieren kregen, immers eerder beleggen in vastgoed dan er effectief iets nuttigs mee te doen. En zo zou het kloosterpatrimonium ongelimiteerd kunnen vergroot worden.

De bespreking van het wetsontwerp van De Decker in de Kamer van Volksvertegenwoordigers begon einde april 1857 en zou enkele weken duren. Verhaegen zette al meteen de toon: het wetsontwerp was een

schoolvoorbeeld van hoe de kloosters de regering om de vinger wonden. Tal van verhalen deden al de ronde over paters die aan het sterfbed verschenen, en die in laatste instantie erin slaagden om de stervende te overhalen zijn testament te wijzigen – in het voordeel van de abdij of het klooster natuurlijk. In het parlement beklom Verhaegen begin mei het spreekgestoelte en vertelde hij het verhaal van een rijke weduwe uit Antwerpen die, plots en zonder reden, in extremis een nieuw testament had geschreven. Tot ontzetting van de familie stelde dit testament dat het merendeel van haar fortuin moest worden gebruikt om een belachelijk groot aantal missen te bekostigen!


De redenaar


Een katholieke krant noemde Verhaegen de man die van het beledigen van clerus en bisschoppen zijn hobby had gemaakt. Een ander katholiek dagblad bracht een gelegenheidsgedicht, oorspronkelijk neergepend door een katholiek volksvertegenwoordiger. Hierbij werd Verhaegen vergeleken met de Vesuvius, met een belangrijk verschil: de Vesuvius barstte maar nu en dan uit, maar Verhaegen bleef eindeloos woorden produceren.

In een andere tekst werd de rol van de vrijmetselaar Verhaegen in het discours tegen de Kloosterwet benadrukt: ‘Verhaegen, meester en opperbaas van het vrijmetselaarsgespuis, / maakt tegen priesters veel geraas en op kloosters groot gedruis. / Hij scheldt, lastert en liegt: / zo is het dat men het volk bedriegt! / De vrijmetselaar en liberaal verspreidt vergif en haat / bij het volk in de straat. / Het volk is verblind en verleid / en weet niet waarom het met stenen smijt.

Verhaegen en de andere liberale parlementsleden lieten inderdaad geen gelegenheid onbenut om de katholieken in het halfrond als volgelingen van de kloosters te bestempelen. In deze verhitte sfeer ging het parlement einde mei over tot stemming. De finale debatten en eindstemming zouden een aantal dagen in beslag nemen. De tribunes waren gevuld met ULB-studenten die nog voor een extra sfeerschepping zorgden; op het plein buiten het Paleis der Natie waren honderden liberale sympathisanten toegestroomd, die elk katholieke parlementslid dat naar buiten kwam uitjoelden. Verhaegen werd echter op gejuich onthaald. ’s Avonds werden de ruiten van de gebouwen van de jezuïeten en de katholieke kranten ingegooid en troepten demonstranten samen, tot zelfs voor het koninklijk paleis.

Deze toestand duurde enkele dagen. Koning Leopold kreeg het bijzonder op zijn heupen, en dreigde er op een bepaald ogenblik zelfs mee om zelf, gezeten op zijn paard, het gepeupel uit elkaar te slaan. Ook in andere steden betoogden de liberalen. De koning, die toen nog het kernkabinet voorzat, schold zijn ministers de huid vol, wou desnoods voor het hele land de staat van beleg afkondigen en beschouwde Verhaegen, samen met Frère-Orban, als de hoofdverantwoordelijken voor deze situatie. Toch moest De Decker buigen voor de protesten, en werd einde mei het wetsontwerp terug ingetrokken. Verhaegen had het pleit gewonnen; de regering van De Decker zwalpte nog enkele maanden verder om later dat jaar in de nasleep van de gemeenteraadsverkiezingen ten val te komen.

En zo kwam er opnieuw een liberale regering in het zadel: Verhaegen werd in 1857 opnieuw Kamervoorzitter en nam zo de functie op die hij in 1848 al had uitgeoefend. In zijn aanvaardingsrede zei hij: ‘Ik ben vandaag wat ik altijd zal zijn: de toegewijde vriend, de bezielde verdediger van de vrijheid, van de orde, van de eigen nationaliteit die wij door onze grondwettelijke monarchie ten volle kunnen beleven.’ Het was de bekroning van een lange politieke carrière. Einde 1859 hield hij de politiek voor bekeken en richtte hij zijn aandacht ten volle op de universiteit en zijn eigen loge, Les Amis Philanthropes.


Het einde


Het was als vertegenwoordiger van de Belgische vrijmetselarij dat Verhaegen in 1862 naar Italië trok om in de loges daar de nodige vriendschapsbanden te smeden. Begin december keerde hij – letterlijk – doodziek terug naar zijn riant huis in de Miniemenstraat. De toegesnelde arts kon maar weinig doen. Was penicilline toen al uitgevonden zou hij het misschien gehaald hebben, maar nu bleek het einde zeer snel dichterbij te komen. Verhaegen zou nog één keer de rebel uithangen. Drie van zijn naaste vrienden, alle drie vrijmetselaars, namen plaats aan het sterfbed met de uitdrukkelijke opdracht iedere priester uit de kamer te weren. Verhaegens vrees was niet ongegrond, want zij schoondochter trachtte – tevergeefs – zich met de toegesnelde pastoor toegang tot de slaapkamer te verschaffen. En zo stierf Verhaegen, zonder dat de laatste sacramenten werden toegekend. Het was maandagavond 8 december 1862.

Waarschijnlijk had Verhaegen op zijn sterfbed aan zijn vrienden de uitdrukkelijke opdracht gegeven om burgerlijk begraven te worden. Deze wens werd twee dagen later, om 2 uur in de namiddag, uitgevoerd. Het was beslist niet de eerste keer dat iemand in België op niet-kerkelijke wijze werd begraven. Verhaegen was echter de eerste, echt grote naam die hiermee duidelijk een statement maakte.

Een massa volk woonde de plechtigheid op straat bij: leden van de liberale regering; de Brusselse gemeenteraad; vertegenwoordigers van de Belgische instellingen en van het parlement, van de ULB, van de liberale en andere verenigingen en tal van sympathisanten waren aanwezig. Toespraken werden gegeven. Dan vertrok de rouwstoet richting kerkhof van Sint-Joost ten Node, op mars getrokken door de harmonie van Les Solidaires, de socialistische vrijdenkersbond die mede de begrafenis had georganiseerd. Een uitvoerige delegatie van vrijmetselaars volgde de lijkkoets, gekleed in hun schootsvellen en witte handschoenen. Schattingen spraken van meer dan 1000 vrijmetselaars. Wie er niet bij was, was Verhaegens geshockeerde familie. Waarschijnlijk waren alleen een schoonzoon en een schoonbroer aanwezig.


Standbeelden


Voor de zeer katholieke familie kende Verhaegens dood twee pijnlijke gevolgen. Ten eerste bracht Les Amis Philanthropes binnen de kortste keren een aanzienlijke geldsom samen, waarmee – ondanks protest van de familie – een standbeeld ter ere van de overledene werd besteld. De beeldhouwer was de – toen – beroemde Guillaume Geefs, die ook het standbeeld van Leopold I bovenop de Congreszuil vervaardigde. Bij de opening van het academiejaar 1865-1866 werd het Verhaegenmonument ingehuldigd. Nu staat dit op de Campus Solbosch aan de Rooseveltlaan, maar in de jaren 1860 waren de lokalen van de ULB gevestigd in het Granvelle-paleis. Dat stond tegenover het Centraal Station, ongeveer waar nu de ingang van de Ravensteingalerij is. Het paleis verdween onder de sloophamer bij de aanleg van de noord-zuidverbinding.

Begin jaren 1880 werd het graf van Verhaegen overgebracht naar het kerkhof van Evere, inclusief de sobere grafsteen die de familie had laten plaatsen met het opschrift ‘Bid voor zijn ziel’. Les Amis Philanthropes zorgde voor een kopie van het ULB-monument, met enkele aanpassingen: het standbeeld van Verhaegen droeg nu een vrijmetselaarsschouderlint, en op de Egyptisch-geïnspireerde sokkel herinnerden maçonnieke symbolen en afkortingen naar de hoge graad die hij in de vrijmetselarij bekleedde. Het nieuwe grafmonument werd pal achter de oorspronkelijke steen geplaatst. En zo telt het graf van Verhaegen, tot de dag van vandaag, twee grafstenen.


De erfenis


Het tweede gevolg was van andere aard. Verhaegen had daags vóór zijn dood een testament opgesteld waarin hij onder meer 50.000 frank naliet aan zijn loge en 100.000 frank aan de ULB. Dit waren aanzienlijke bedragen. Ook hier was Verhaegen geen pionier: anderen hadden eerder al geld nagelaten aan loges en onderwijsinstellingen. Maar in het geval van Verhaegen was de omvang en de symboliek wederom veel groter.

Net als de kloosters die Verhaegen zijn hele professionele leven had bevochten waren de loges echter ook geen rechtspersonen en konden bijgevolg geen schenkingen of legaten in ontvangst nemen. Verhaegens zoon Eugène stemde uiteindelijk twee jaar later in om alsnog een gedeelte van het bedrag toe te kennen aan de vertegenwoordigers van Les Amis Philanthropes.

Met het legaat voor de ULB lag de zaak moeilijker. Stricto sensu sprak Verhaegen in zijn testament over 100.000 frank ‘voor de gemeenteraad ter bevordering van het hoger onderwijs in Brussel’. Aangezien er maar één instelling van hoger onderwijs in de stad was – de ULB dus – was het voor iedereen duidelijk waarover het ging. Maar ook in het geval van de ULB, die eveneens geen rechtspersoon was, kon de geldsom niet zomaar worden aanvaard – zeker niet wanneer er met heel wat officiële instanties zoals de gemeenteraad rekening gehouden moest worden.

Het liberale gemeentebestuur en de ULB zelf rekenden op de erfenis, maar anderen waren terughoudend. Liberale politici en juristen vreesden dat, indien het legaat werd toegekend, een gevaarlijk precedent werd geschapen. Wie weet stonden binnenkort zowat alle kloosterorden gelijkaardige rechten te eisen!

De juridische strijd tussen de familie – die het geld niet loste – en de Stad Brussel sleepte dertig jaar aan, tot het moment van de verjaring. Helemaal aan het slot van deze periode besefte het liberaal gemeentebestuur dat verder procederen helemaal geen zin meer had. En zo liep de ULB de erfenis van Verhaegen mis. Vier jaar later, in 1896, eiste de rector daarom in zijn academische openingsrede dat de universiteit spoedig als rechtspersoon zou worden erkend.


De symboliek van Verhaegen


Pierre-Théodore Verhaegen was het spreekwoordelijke zwarte schaap van de familie. Zijn kleinzoon Arthur Verhaegen zou later in Gent de krant Het Volk oprichten, toen nog met als onderschrift ‘Antisocialistisch dagblad’. De kleinzoon stond ook aan de wieg van de Belgische Volksbond, waaruit mede na de Eerste Wereldoorlog het ACW, de koepel van christelijke werknemersorganisaties, zou voortkomen. Of kerkganger Verhaegen echt gelovig was is voer voor discussie. Het staat wel vast dat hij geen inmenging van de Kerk of van priesters in staats- of privé-aangelegenheden duldde. En zo moet niet alleen de stichting van de ULB of de Liberale Partij worden begrepen, maar ook zijn begrafenis. Kortom, Verhaegen als symbool van vrijzinnigheid nog vóór er van echt atheïsme sprake was.

Na zijn dood zal de mythe van Verhaegen vorm krijgen. In 1888 was er voor het eerst sprake van ‘Saint Verhaegen’. Een krant maakte hier spottend melding van. Ter gelegenheid van de academische feestdag van 20 november, waarop tot dan toe geen plechtigheden plaatsvonden, verzamelden een tweehonderdtal studenten aan de voet van het standbeeld aan de ULB. Daarna vertrok de stoet richting kerkhof, waar een krans werd neergelegd. Een van de redenen waarom toen naar Verhaegen werd teruggegrepen was omdat de man, als ware verdediger van de vrije gedachte en pleitbezorger van het a-dogmatisch onderwijs, als voorbeeld zou kunnen dienen. Op dat ogenblik domineerden de katholieken politiek België en waren de door de liberalen doorgevoerde onderwijshervormingen weer teruggeschroefd. De studenten protesteerden ook voor meer openheid binnen het ULB-bestuur. Het zal pas later zijn dat ‘St-Vé’ de gekende proporties zal aannemen.

Anderhalve eeuw en ontelbaar veel afgestudeerden van ULB en VUB later blijft de traditie overeind. De mythe-Verhaegen haalde soms de historische figuur in. Maar één ding leidt geen twijfel: zonder Pierre-Théodore Verhaegen, in december 2012 honderdvijftig jaar overleden, zou de Belgische geschiedenis op zijn minst anders zijn verlopen.


Bronvermelding


Pierre-Théodore Verhaegen, 1796-1862. Brussel, VUBPRESS, 1996 – J. De Maeyer. Arthur Verhaegen. Leuven, Universitaire Pers, 1994 – J. Tordoir. Verhaegen ainé. Brussel, Centre Paul Hymans, 1997 – Lemma’s in Dictionnaire de la Franc-Maçonnerie (Parijs, PUF, 1997) en Dictionnaire historique de la Laïcité en Belgique (Brussel, Editions Luc Pire, 2005) – Artikels en publicaties van M. De Schampheleire, H. Hasquin, J. Koppen, J. Tyssens en E. Witte.



Alle rechten voorbehouden. Deze tekst werd geschreven door Jimmy Koppen en verscheen in 2012 in de brochure Pierre-Théodore Verhaegen - 1862-2012. Deze brochure werd uitgegeven door VSAD ‘Karel Cuypers’/Universiteitsarchief Brussel i.s.m. Studiekring Vrij Onderzoek.